De provincie Noord-Brabant heeft dinsdag laten weten dat de gesprekken met de vijf pluimveehouders, waaronder twee uit Neerkant en Helenaveen, worden voortgezet. De eerste bestuurlijke gespreksronde is inmiddels afgerond. Eind deze maand vinden ambtelijke vervolggesprekken plaats met de eigenaren van de vijf piekbelastende bedrijven die in de buurt van Natura 2000-gebieden liggen.
Hierbij wordt volgens de provincie een poging gedaan om binnen de juridische mogelijkheden tot passende oplossingen te komen. “We zijn aan de slag gegaan met de gesprekken met de betrokken ondernemers. Ons doel blijft onveranderd”, zegt gedeputeerde Saskia Boelema. “Uitvoering geven aan de rechterlijke uitspraak, de natuur herstellen en binnen de grenzen van wat juridisch mogelijk is een maximale inspanning doen om samen met deze vijf ondernemers tot oplossingen te komen.”
Rechterlijke uitspraak
Op 17 juli 2026 maakte de provincie het voornemen bekend om de natuurvergunningen van de vijf veehouders in te trekken. Die actie volgde op een rechterlijke uitspraak, waarin is geoordeeld dat passende maatregelen nodig zijn om de stikstofbelasting op kwetsbare Natura 2000-gebieden blijvend en substantieel te verminderen.
Lees ook: Nieuwsdossier – Vergunningen pluimveehouders
Sindsdien heeft de provincie verschillende gesprekken gevoerd met de betrokken ondernemers en hun vertegenwoordigers. Daarnaast is aan advocatenkantoor Pels Rijcken gevraagd om een advies uit te brengen over de werkruimte die de uitspraken geven voor de besluitvorming door Gedeputeerde Staten (GS). Dit onderzoek moest dienen als een second opinion op de uitgangspunten die Brabant heeft gehanteerd. De provincie zegt dat heeft geleid tot het inzicht dat een andere, iets ruimere interpretatie van de gerechtelijke uitspraak mogelijk is.
Vertrouwelijke gesprekken
“De essentie van de uitspraken is dat een substantiële daling stikstofreductie gerealiseerd moet worden met als uitgangspunt 85 procent, waarmee dan 15 procent resteert, ook voor het houden van landbouwhuisdieren. Dat laatste betekent een verruiming ten opzichte van onze eerdere interpretatie, waarin wij ervan uitgingen dat het houden van landbouwhuisdieren binnen de resterende ruimte van 15 procent niet mogelijk was”, aldus de provincie.
Deze ruimere interpretatie zijn door Brabant nu bestuurlijk gewogen en worden meegenomen in de vervolggesprekken met de ondernemers begin november: “In goed overleg is afgesproken dat de inhoud van deze gesprekken vertrouwelijk blijft. Partijen hebben gezamenlijk vastgesteld dat rust en focus belangrijk zijn om de gesprekken zorgvuldig te kunnen voeren.” De provincie zegt toe zich te blijven inzetten om binnen de kaders van de uitspraken van de rechtbank met iedere ondernemer tot een oplossing te komen ‘die recht doet aan de opgave én aan de specifieke omstandigheden van het bedrijf’.
Meer dieren dan toegestaan
Bij twee van de betrokken pluimveehouders worden meer dieren gehouden dan binnen de natuurvergunning/referentiesituatie is toegestaan. Naar aanleiding hiervan heeft Mobilisation for the Environment (MOB) eerder handhavingsverzoeken ingediend. “De gesprekken over de reductieopgave richten zich op het aantal vergunde dieren, omdat dit het juridische uitgangspunt vormt voor eventuele afspraken. Dit onderwerp wordt nadrukkelijk betrokken bij de vervolggesprekken met beide ondernemers”, zegt de provincie.
Omdat MOB zowel indiener is van de intrekkingsverzoeken als van de handhavingsverzoeken, heeft Brabant recent ook met MOB overleg gevoerd over de second opinion van Pels Rijcken. Daarnaast heeft de provincie hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechter in deze zaak: “Bij dit hoger beroep zal ook de inhoud van het door het Rijk aangekondigde maatregelenpakket worden betrokken.”
Rijksbeleid
Dit is volgens Brabant in lijn met de opmerking die de voorzieningenrechter ter zitting heeft gemaakt in het recente kort geding over emissiereducerende maatregelen. Hierbij heeft de rechter gesuggereerd dat het aangekondigde Rijksbeleid zou moeten worden afgewacht. De provincie zegt deze ontwikkelingen nauwlettend te volgen, omdat deze van invloed kunnen zijn op de verdere uitvoering van de stikstofaanpak.
Voor de vijf procedures over de intrekkingsverzoeken van natuurvergunningen lopen momenteel dwangsommen tegen de provincie vanwege het niet tijdig nemen van besluiten. De eerder door de Raad van State opgelegde dwangsommen bereiken eind 2026 het maximale bedrag van 75.000 euro (15.000 euro per procedure). Op 30 september heeft de Raad van State in een nieuwe uitspraak bepaald dat de provincie uiterlijk 4 februari 2027 een definitief besluit moet nemen op de vijf intrekkingsverzoeken. Aan deze uitspraak is een dwangsom verbonden van 250 euro per dag, met een maximum van 37.500 euro per procedure.
Termijn niet haalbaar
Brabant acht deze termijn niet in alle vijf de procedures haalbaar. Dit heeft volgens de provincie te maken met de ‘vereiste zorgvuldigheid van het besluitvormingsproces’. Daarom zal verzet worden aangetekend tegen de uitspraak, met het verzoek om het oordeel van de rechtbank wat betreft de beslistermijn te schorsen. De totale dwangsommen kunnen op dit moment nog oplopen tot maximaal 187.500 euro.
De provincie benadrukt dat alle inspanningen gericht blijven op de onderliggende opgave: “Namelijk het herstellen van overbelaste natuur, het terugdringen van de stikstofbelasting en het creëren van ruimte voor toekomstbestendige vergunningverlening en economische ontwikkeling in Brabant. “Zoals eerder aangegeven neemt de provincie geen vervolgbesluiten zonder hierover eerst met de betrokken ondernemers in gesprek te zijn geweest.”
Foto: Pexels/provincie Noord-Brabant







